Portretten in de Volkskrant

Medisch specialist én vluchteling: auto met chauffeur in Syrië, onderaan de ladder in Nederland. Gevlucht uit hun thuisland moesten deze artsen en medisch specialisten hier weer helemaal onderaan beginnen. ‘In Syrië stond er ’s ochtends een auto met chauffeur voor me klaar.’

Dania Alissa (34) en Mustafa Mahli (34) 

Dania Alissa  en Mustafa Mahli waren in Syrië plastisch chirurgen. Ze kwamen afzonderlijk van elkaar in 2014 en 2015 naar Nederland en zijn sindsdien fulltime aan het studeren voor het beoordelingstraject voor buitenlandse artsen. Daarnaast liepen ze stage in huisartspraktijken en deden vrijwilligerswerk in de medische sector. Dania is nu basisarts en zoekt een baan of opleidingsplek in de plastische chirurgie. Mustafa gaat co-schappen lopen. Ze hebben twee zoontjes van 7 en 2 en wonen in Utrecht.

Dania: ‘Ons leven draait om de kinderen en studeren. Mustafa brengt ’s ochtends de oudste naar school en ik blijf thuis met de jongste. Als Mustafa thuiskomt, ga ik studeren en zorgt hij voor ons zoontje. Elk uur wisselen we om, de hele dag door. We doen alles fiftyfifty, ook het huishouden. Dat was in Syrië al zo.’

Mustafa: ‘Onze wereld is wel veel kleiner dan toen. Als we uitgaan, is het altijd met de kinderen. In Syrië leidden we het typische leven van een jong, hoogopgeleid, werkend stel in de stad. Hier zijn we studenten, maar zonder het zorgeloze studentenleven.’

Dania: ‘Gelukkig mochten we van de gemeente studeren met behoud van uitkering. Al hoorden we negatieve berichten: het zou voor ons bijna onmogelijk zijn om hier plastisch chirurg te worden. Wij klampen ons vast aan het woordje ‘bijna’. Dat betekent: net niet onmogelijk. Wij blijven proberen, zolang er hoop is.’

Mustafa: ‘Het studeren is nuttig om te leren hoe de Nederlandse gezondheidszorg functioneert. In Syrië moesten buitenlandse dokters ook zo’n traject doorlopen. Maar het is extreem stressvol. Je weet bijvoorbeeld voorafgaand aan assessments niet waarop je beoordeeld zult worden. De criteria voor slagen krijg je niet te horen. Dus hoe bereid je je voor? Waar begin je? Je hebt maar één kans, hè! Zak je, dan moet je de hele geneeskundeopleiding overdoen. Die dreiging hangt jarenlang boven ons hoofd.’

Dania: ‘Ook een probleem: je gaat pas na een jaar of drie, vier het ziekenhuis in. De eerste periode zit je met je neus in de boeken. Daardoor verlies je je geoefende hand. Gelukkig hebben wij veel hulp gekregen van Nederlandse artsen uit ons vrijwilligersnetwerk. Ze stuurden ons dozen boeken op en gaven ons tips en advies. Wij móéten namelijk slagen voor dit traject. Een andere buitenlandse student of arts kan terug naar huis als het hier niet lukt. Wij hebben die optie niet.’

Ghassan Awadh. Beeld Marie Wanders

Ghassan Awadh (46)

In Jemen was Ghassan Awadh (46) nierarts, adjunct-directeur van twee ministeries en gezondheidszorgcoördinator van de golflanden. Hij sprak zich uit tegen de onderdrukking van Zuid-Jemenieten en overleefde twee moordaanslagen. Nadat zijn huis in brand was gestoken, vluchtte hij in 2017 met zijn vrouw en hun vier jongste kinderen van nu 11, 13, 18 en 21. In ruil voor zijn uitkering werkt hij sinds een week als sleutelpersoon statushouders bij de gemeente Epe en is hij bemiddelaar bij VluchtelingenWerk Nederland. Zijn vrouw doet vrijwilligerswerk met ouderen.

‘Laagopgeleide vluchtelingen gaan er doorgaans op vooruit in Europa. Voor hoogopgeleide vluchtelingen is dat precies andersom. In Jemen had ik nooit geldstress aan het einde van de maand en mijn kinderen konden krijgen wat ze wilden. Hier moeten de jongste twee vaak wachten op nieuwe schoenen – de oudsten betalen ze zelf. Maar het mooie is dat ze niet doorhebben dat ze arm zijn, omdat het verschil tussen arm en rijk in Nederland zo klein is. Ze hebben het ook te druk om zich arm te voelen. School, tennis, pianoles: hun dagen zitten vol.

Voor mij is het moeilijker om mijn leven weer op te pakken. Toen wij in Nederland aankwamen dacht ik: ik leer de taal en ga als arts aan het werk. Maar ik moest daar zes jaar voor studeren en al die tijd een uitkering trekken. Ik kan dat niet maken tegenover Nederland, waar iedereen ons helpt. Ik maakte me trouwens geen zorgen, er waren vast andere bestuurlijke of coördinerende functies in de gezondheidszorg.

Dat viel tegen: ik kan tot nu toe werk krijgen in een restaurant of hotel. Maar ik gooi mijn toekomst weg als ik zo’n functie aanneem. Het is onterecht om te denken dat ik me er te goed voor voel, het maakt me boos als mensen dat suggereren. Als ik geen opleiding of werkervaring had, vond ik zo’n baan prima. Kijk naar mijn zoons, die gingen direct bij McDonald’s werken. Maar ik kan met mijn achtergrond veel nuttiger zijn voor de maatschappij. Als dat nog niet in een betaalde baan kan, dan maar als vrijwilliger. Ik ben doodsbang dat ik het – eenmaal als afwasser aan het werk – helemaal kan schudden op de arbeidsmarkt.

Ik ben alles verloren door mijn vlucht. Mijn huis bij de zee, mijn drie auto’s, mijn maatschappelijke positie. De lange, hectische werkdagen, het reizen, het oplossen van ingewikkelde problemen. Ik mis mijn ouders die daar nog wonen. Als ik geen kinderen had gehad, was het een ramp geweest. Maar zij zijn veilig en vrij. Mijn vrouw en dochter kunnen zelfstandig en zonder gezichtsbedekking de deur uit. Dat maakt de pijn en het verlies goed. Het maakt alles oké.’

Tahir Mugne. Beeld Marie Wanders

Tahir Mugne (44)

Tahir Mugne studeerde geneeskunde in Oekraïne en had later thuis in Somalië zijn eigen gezondheidscentrum. Hij werkte er als huisarts, zijn vader was apotheker. Na aanhoudende bedreigingen van rebellengroepen sloeg hij op de vlucht naar Europa. Hij woont nu tien jaar in het Zeeuwse ’s-Gravenpolder en werkt als hulp in een verzorgingshuis. Zijn vrouw, zoon van 20 en dochter van 14 kwamen vier jaar geleden naar Nederland.

‘In Somalië reed ik elke ochtend samen met mijn vader naar onze huisartsenpost. Ik trok mijn witte doktersjas aan, groette mijn assistente en de patiënten in de volle wachtkamer en ging aan het werk. Ik wás iemand. Alles wat ik had, verdiende ik zelf. Het mooiste van dokter zijn is dat je mensen kan helpen en daarmee waardering krijgt.

Hier in Nederland mag ik als helpende letterlijk nog geen pleister plakken of paracetamol geven. Mijn functie bestaat uit het helpen van bewoners bij hun ‘algemene dagelijkse levensverrichtingen’. Zoals assisteren bij het opstaan, wassen en de maaltijd. Ook begeleid ik bij een wandeling, een uitje of gezelschapsspel. Tegelijk bied ik een luisterend oor en geef ik positieve aandacht. De bewoners – van wie sommigen nog in klederdracht – zijn lief, nieuwsgierig en maken graag een praatje. Dankzij hen is mijn Nederlands enorm verbeterd. Ik moet zelfs uitkijken dat ik niet plat Zeeuws ga praten.

Een witte jas draag ik niet meer, maar ik werk in ieder geval in de zorg, na een periode van vijf jaar zonder succes solliciteren. Als tegenprestatie voor mijn uitkering deed ik klusjes voor de gemeente: folders rondbrengen, post sorteren en pakketten inpakken. Mijn gezin was toen nog niet in Nederland. Elke avond kwam ik terug in een leeg huis. Dan kroop ik achter de computer om met hen te skypen en daarna ging ik sollicitatiebrieven schrijven tot ik weer naar bed kon. Als dokter werken kon niet: ik moest 2 jaar fulltime studeren en de gemeente zou mijn uitkering stoppen.

Het was een vreselijk verdrietige en eenzame tijd. Elke keer als ik mijn mail opende waren daar de afwijzingen: geen diploma, geen ervaring, geen auto, je spreekt de taal niet vloeiend genoeg. Ondertussen las ik in de krant dat statushouders lang werkloos blijven en werd de indruk gewekt dat ze het wel lekker vinden, zo’n uitkering. Dat is frustrerend. Veel Nederlanders hebben geen idee hoeveel regels er staan tussen de vluchteling en zijn ambities. Ik bleef positief omdat er desondanks in Nederland voor iedereen een kans is, hoe klein ook. Dat is in Somalië wel anders: arme mensen daar hebben geen enkele mogelijkheid hun lot te verbeteren. De hoop op verandering hield me op de been.’

Saleh Rozbeh en Svetlana. Beeld Marie Wanders

Saleh Rozbeh (51) en Svetlana (53) 

Saleh Rozbeh was in Afghanistan dierenarts, Svetlana verpleegkundige. Ze vluchtten voor de Taliban en zijn sinds 1996 in Nederland. Saleh werkte hier als beveiliger, stadswacht, administratief medewerker en fruitplukker. Svetlana was apothekersassistente. Nu hebben ze in Bergen op Zoom, waar ze wonen, een snackbar: Het Koepeltje. Daarnaast runnen ze een bed and breakfast en restaurant Maza. Hun zoon (28) is huisarts in opleiding, hun dochter (27) studeert geneeskunde.

Saleh: ‘Ik hou van de Nederlandse mensen. Toen wij hier aankwamen met twee jonge kinderen heette iedereen ons welkom. Maar we zijn bijna kapotgegaan aan de bureaucratie en de aanname van sommige instanties dat vluchtelingen hun hersenen en verstand in het land van herkomst hebben achtergelaten.

Ik herinner me dat mijn vrouw en ik een verplicht traject volgden. Elke dag moesten we schroeven, bouten, moertjes en ringetjes sorteren. Ik dacht nog: ik leer hier niks, maar het is vast goed voor het milieu. Per toeval kwam ik erachter dat aan het einde van de dag alles weer bij elkaar werd gegooid, ‘voor morgen’. Het deed zo’n vreselijke pijn. Alsof we wezens waren die moesten worden koest gehouden.’

Svetlana: ‘Elke week stonden we bij het arbeidsbureau. Daar zeiden ze: rustig aan. Maar wij wilden aan het werk! We moesten twee jaar studeren om hier ons vak te kunnen uitoefenen. Mijn eerste studiejaar zou de zorginstelling betalen waar ik tijdens mijn opleiding werkte, het tweede jaar de gemeente. Maar uiteindelijk zei de gemeente: nee, toch niet.’

Saleh: ‘Als ik naast mijn studie een Melkertbaan als beveiliger en handhaver accepteerde, zou de gemeente mijn collegegeld betalen. Ik heb vijf jaar gewerkt maar nooit een dag gestudeerd. ‘We zijn ermee bezig’,hoorde ik steeds. Toch vond ik het werk fijn, ik voelde me nuttig op straat, al had ik veel zorgen dat ik mijn vaardigheden als dierenarts kwijtraakte. Gelukkig kon ik stage lopen bij een praktijk in de buurt. Na een tijdje werd ik er ook voor betaald en deed ik het werk waarvoor ik was opgeleid. Tot er bezoek kwam van de inspectie. Einde stage. En einde hoop om in Nederland als dierenarts te werken.’

Svetlana: ‘Wij wilden zo graag voor onszelf zorgen. Met een lening van een vriend kochten wij een oude snackbar. We werkten met het hele gezin, de kinderen hielpen na school. Het draaide! We werden een begrip in Bergen op Zoom. Na jarenlang keihard werken konden we het hele pand kopen en uitbreiden.’

Saleh: ‘De snackbar en het restaurant delen een keuken, mijn vrouw en ik doen nu de kinderen uit huis zijn alles samen: frituren, koken en bedienen. ’s Ochtends verzorgen we ontbijt voor de gasten en maken daarna de kamers schoon. Het maakt mij niet uit dat ik bedden moet verschonen. Het zijn míjn bedden, voor míjn gasten. Als ondernemers zijn we eindelijk vrij. Niemand, zelfs de minister-president niet, kan ons dingen verbieden of opdragen. Het is heerlijk om onafhankelijk te zijn.’

Samah Mohideen. Beeld Marie Wanders

Samah Mohideen (41)

Samah Mohideen was kaakchirurg in een Syrisch ziekenhuis en had daarnaast een eigen tandarts-praktijk. In 2014 vluchtte ze naar Nederland, haar man en kinderen volgden later. Ze is net klaar met de vier jaar durende herwaardering van haar tand artsdiploma, intussen werkte ze onbetaald als tandartsassistent en mondhygiëniste. Nu is ze tandarts bij Biologische Tandartspraktijk Friesland en bij Happy Tooth in Wassenaar. Samah is getrouwd met een medisch ingenieur en heeft vier kinderen van 17, 16, 11 en 4. Het gezin woont in Voorschoten.

‘Het is een vreemde ervaring om als volleerd en ervaren kaakchirurg instrumenten te moeten aangeven, tandsteen te verwijderen en vullingen te prepareren. Aan de ene kant was ik erg blij dat ik de kans kreeg – het was heel moeilijk om stageplekken te vinden – maar aan de andere kant voelt het intens verdrietig. Het niet mogen vullen van een gaatje terwijl je honderden ingewikkelde kaakoperaties achter de rug hebt, staat symbool voor alles wat je als vluchteling doormaakt: je laat je hele leven achter en begint helemaal opnieuw terwijl je daar niet voor hebt gekozen. Maar mijn drive was groter dan het verdriet om dit verlies. Ik wilde dóór want zorg verlenen is onderdeel van mijn identiteit. De enige manier was: onderaan beginnen en kleine stapjes maken.

Toen ik in Nederland aankwam, ontdekte ik al snel dat ik jaren moest studeren om weer als tandarts te kunnen werken: eerst vloeiend Nederlands leren en daarna intensieve tandheelkundige herscholing. Het was zwaar en stressvol, vooral omdat de oorlog in Syrië nog elke dag via tv en internet onze levens binnenkwam.

Mijn kinderen gaven mij kracht. Zij zijn met hun vader apart van mij gevlucht. Onze reizen waren extreem gevaarlijk en traumatiserend, ik kan nog steeds niet geloven dat we het allemaal overleefd hebben. Maar nu zit mijn oudste zoon in 4 vwo, mijn oudste dochter in 3 havo en heeft mijn andere zoon net vwo-advies gekregen. Ze hebben baantjes bij Albert Heijn en als krantenbezorger, zitten op voetballen of gitaarles, hebben vrienden en vriendinnen. Mijn jongste dochter, van wie ik zwanger was tijdens mijn vlucht, is bijna een Nederlands meisje; ze wil niet eens Arabisch praten. Ik vind het ongelofelijk hoe sterk mijn kinderen zijn, hoe lief en mooi. Terwijl ik weet wat de oudste drie hebben doorstaan. Als zij hier hun leven kunnen oppakken, kan ik het ook.

Nu ik weer tandarts ben, prijs ik mezelf gelukkig. Het zorgsysteem in Nederland vind ik prachtig. In Syrië is de arts de baas, een echte autoriteit. Hier is de relatie met de patiënt gelijkwaardig, dat past veel beter bij mij.’

Nour Saadi en Saleem Bachara. Beeld Marie Wanders

Nour Saadi (52) en Saleem Bachara (55) 

Nour Saadi en haar man Saleem Bachara waren in Syrië hematologen met eigen laboratoria. Saleem werkte daarnaast als manager van een zorgverzekeringsmaatschappij, Nour was als directeur van het aidscentrum een publieke figuur. Nour woont sinds 2013 in Nederland, Saleem volgde een jaar later. Onlangs startten ze samen hun bedrijf SaNour, waarmee ze Syrische mensen met een handicap begeleiden. Ze wonen in Emmen, hun 24-jarige zoon doet een ict-studie en hun 20-jarige dochter mediavormgeving.

Saleem: ‘In Syrië was ik baas over mijn eigen leven en over vijftig medewerkers. En ineens stond ik in een asielzoekerscentrum in Nederland in de rij voor het eten. Ik was alle controle kwijt: anderen beslisten hoe lang ik moest wachten, of ik mocht blijven, waar we gingen wonen. En ondertussen waren we compleet lamgeslagen door al het oorlogsnieuws van thuis, over vrienden die gemarteld werden en stierven in de gevangenis. Veel van de mensen die wij kenden leven niet meer.’

Nour: ‘Voor de oorlog hadden we een luxeleventje. Ik werd ’s ochtends opgehaald door een dienstauto van het ministerie en we hadden een eigen auto met chauffeur voor Saleem. Er was een nanny voor de kinderen, een schoonmaakster en iemand die kookte. We woonden in een groot appartement aan een boulevard met palmbomen. Nu wonen we boven een winkel, ons appartement en inrichting zijn sober. Maar ook al laat je je prachtige woning met antieke meubels en kunst aan de muur achter, je karakter en je zin om te werken neem je mee.’

Saleem: ‘Al is het lastig om als 50-plusser een baan te krijgen, helemaal als je vluchteling bent. Na jaren zonder succes solliciteren, zijn we voor onszelf begonnen. We begeleiden bijvoorbeeld een Syrische moeder van vier jonge kinderen die volledig verlamd is vanwege een kogel in haar nek. Ze heeft 24 uur per dag zorg nodig, die wij een dag per week van haar man overnemen. Een Syrische jongen van 16 die eerst nog als een hoopje mens op een matras in de hoek van de kamer lag, begint nu Nederlands te begrijpen en hij kan in zijn rolstoel bewegen – alleen nog achteruit, maar toch. Hij noemt mij ‘oom Saleem’ maar zijn ouders blijven me ‘dokter’ noemen. In Syrië is het ondenkbaar dat je je arts gewoon bij naam noemt, zoals in Nederland. Wij dachten destijds dat die hiërarchische omgangsvormen goed waren. Maar door ons leven hier zijn veel van onze waarden en normen veranderd.’

Nour: ‘Als ik vroeger geen perfecte kleding en make-up droeg, voelde ik me niet klaar om onder de mensen te komen. Dat vind ik nu veel minder belangrijk. Ik hou van de Nederlandse manier. Het makkelijke, de tolerantie, de vrijheid.’

Lara Aerts en Christiaan van Beemen

Bron van de artikel: https://bit.ly/2KCG3iF